Rintrah brult en schudt zijn vuren in de beladen lucht;
Hongerende wolken zwijgen op de diepte.
Eens nederig, en op een gevaarlijk pad,
Hield de rechtvaardige man zijn koers aan
Langs de vallei van de dood.
Rozen worden geplant waar doornen groeien,
En op de barre heide
Zingen de honingbijen.
Toen werd het gevaarlijke pad geplant,
En een rivier, en een bron,
Op elke klif en graf;
En op de gebleekte botten
Bracht rode klei voort;
Totdat de schurk de paden van gemak verliet,
Om in gevaarlijke paden te lopen, en te drijven
De rechtvaardige man naar barre streken.
Nu loopt de sluipende slang
In milde nederigheid,
En de rechtvaardige man raast in de wildernis
Waar leeuwen rondzwerven.
Rintrah brult en schudt zijn vuren in de beladen lucht;
Hongerende wolken zwijgen op de diepte. •W.B•